woensdag 30 maart 2011

Kaiserschlacht of Lenteoffensief


De Kaiserschlacht was de naam voor een combinatie van aanvallen van het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog in de lente en zomer van 1918. De militaire naam van de eerste operatie was "Operatie Michael". De Duitsers zouden voor de laatste keer alles op alles zetten, deze keer met een nieuwe tactiek.

Achtergrond en bedoeling

In 1917 was de situatie voor Duitsland nijpender en nijpender geworden. De poging om de geallieerden met de duikbotenoorlog te verslaan had uiteindelijk een oorlogsverklaring van de machtige Verenigde Staten opgeleverd, de Centrale bondgenoten presteerden weinig of helemaal niets zonder Duitse hulp, en het westfront zat nog steeds muurvast. De Duitse economie en voedselsituatie ging gebukt onder de Britse blokkade. De Russische Revolutie bleek een meevaller: Rusland had het Verdrag van Brest-Litovsk moeten tekenen en was uit de oorlog. De Duitsers konden nu troepen van het oostfront vrijmaken voor een grote aanval in het Westen. Generaal Erich Ludendorff wilde met een combinatie van aanvallen een wig tussen de Fransen en de Britten drijven, waarna de Britten dwars door Noord-Frankrijk de zee in zouden worden gedreven. Dit zou de Franse ineenstorting brengen en de Amerikanen doen afzien van verdere hulp aan de geallieerden. Aldus Ludendorff.

De offensieven

Ludendorff had een aantal offensieven gepland die onderdeel zouden uitmaken van Operatie Michael. Dit waren onder andere:
  • Mars, een offensief tegen de Britten en Fransen bij de Somme en Arras, en dat een wig tussen de twee legers moest drijven;
  • Georgette, een offensief in het noorden tegen de Britten in België;
  • Blücher, een offensief tegen de Fransen bij Chemin des Dames;
  • Friedensturm, een offensief tegen de Fransen richting de Marne en Parijs.

Ludendorff had daarnaast ook in de gaten dat domweg aanvallen gelijk stond aan zelfmoord. Daarom werd ook de tactiek veranderd. Allereerst koos men voor een kort artilleriebombardement van 4 uur voorafgaand aan het offensief. Dit, omdat de traditionele dagenlange bombardementen het verrassingseffect bedierven. Onder dekking van gordijnvuur van de artillerie moesten vervolgens eenheden van de elitestormtroepen, bewapend met automatische geweren en vlammenwerpers, de uiteengereten Britse frontlinie infiltreren, om daarna zo snel mogelijk de Britse artilleriestellingen achter de frontlinie in handen te krijgen. Hierbij werkten artillerie en infanterie beter samen, en werd door de stormtroepen meer gebruikgemaakt van de mogelijkheden die het terrein kon bieden: een tactiek die van de Japanners in hun oorlog met Rusland was afgekeken.

Het verloop

slagveld aan de Somme

Op 21 maart 1918 barstten de eerste aanvallen los. De offensieven waren aanvankelijk zeer succesvol. De geallieerde loopgraven werden doorbroken en de Duitse legers waren weer op mars. In 2 dagen werden bij de Somme de Britse linies doorbroken en rukten de Duitsers 25 km op. Generaal Haig, de Britse bevelhebber, verzocht om versterkingen, maar de Fransen waren ook bij Parijs aangevallen en Pétain vond het verdedigen van de hoofdstad belangrijker. Ook hier werden de loopgraven aanvankelijk doorbroken. Keizer Wilhelm II was buiten zichzelf van vreugde.

De Duitsers waren met de doorbraak echter niets opgeschoten. De enige opdracht die ze hadden was "oprukken", maar toen ze verder kwamen, kwamen ze ook buiten de dekking van hun eigen artillerie. Bovendien moest de infanterie door het oude slagveld aan de Somme. De oude loopgraven lagen er nog, compleet met mijnen, prikkeldraad en modder. Ook waren veel soldaten ondervoed en dus snel afgeleid: vonden ze een voedseldepot, dan plunderden de soldaten dat en vergaten hun opmars. De Britten hergroepeerden en vingen de aanval bij Arras op, en op 28 maart 1918 was het front weer stabiel. Ludendorff kraaide echter victorie, wat door veel Duitsers inclusief de keizer werd geloofd. De Duitsers was namelijk datgene gelukt dat de geallieerden in 3 jaar nooit was gelukt: de loopgravenlinie doorbreken. Bovendien was veel terrein verroverd en stonden de Duitsers op sommige punten zelfs verder dan in 1914!
Het was echter een valse victorie. De Britten hadden wel gebied en materieel verloren, maar vormden nog steeds een gesloten front. De gebieden hadden geen enkele strategische waarde (concrete strategische doelen waren ook niet gesteld, het ging slechts om het zo ver mogelijk oprukken) en waren ten koste van veel munitie en mensenlevens veroverd, terwijl de eigen artillerie het niet kon bijbenen. Er heerste een munitietekort. Verblind door dit "succes", zette Ludendorff echter Operatie Michael voort en opende nog meer offensieven. Evenals Operatie Mars dienden deze offensieven echter geen enkel strategisch doel.
Ook deze offensieven vertoonden het zelfde patroon: een doorbraak gevolgd door een opmars, vervolgens stagnatie. Bij de Tweede slag bij de Marne werden de Duitsers door de Fransen tegengehouden, en deze keer was het geen resultaat van Duitse twijfel, maar van een taaie Franse verdediging en de eerder genoemde tekortkomingen. Ook de offensieven in België en bij Reims liepen vast.

De Amerikanen

Vaak wordt het mislukken van Operatie Michael toegeschreven aan de snelle komst van duizenden Amerikaanse troepen die de Duitse aanval na de doorbraak achter de linies opvingen en terugdreven. De Amerikanen waren echter nog maar net begonnen met de opbouw van hun landleger, en bleven nog ver achter in materieel. Aanvankelijk opereerden zij zelfs niet op eigen titel, maar in Britse of Franse divisies of legers. Ook moest artillerie geleend worden, omdat ze die zelf niet hadden. Ten slotte hadden de Amerikanen absoluut niet de ervaring die hun Duitse tegenstanders en Brits-Franse bondgenoten na bijna vier jaar oorlog wel hadden. Het zou daarom overdreven zijn de geallieerde overwinning enkel aan hen toe te schrijven.
Wel was de deelname van de Amerikanen van psychologische waarde. De Duitsers zagen de dreiging die uitging van een natie met 90 miljoen inwoners, een oppervlakte van miljoenen vierkante kilometer, ongeschonden fabrieken die na verloop van tijd tienduizenden kanonnen zouden kunnen produceren. De VS bezat daarbij één van de grootste marines ter wereld. Militaire kopstukken als Ludendorff beseften dat de tijd in Duitslands nadeel werkte, aangezien de eerder genoemde gebreken dan stuk voor stuk konden worden opgelost. Het was ook de reden voor de Kaiserschlacht: Amerika mocht niet aan de oorlog deel gaan nemen, althans niet actief. Voor de Amerikanen klaar waren, moesten de Britten de oorlog worden uitgeslagen, en daarna de Fransen.

Tegenaanval

Het mislukken van de Kaiserschlacht was daarom ook niet alleen militair-strategisch een grote domper door het ten koste van grote offers veroveren van grote stukken land. Ook moreel was het dat, hoewel aanvankelijk slechts kopstukken als Ludendorff dit konden weten. Nu zouden immers de Amerikanen komen, en tegen de gecombineerde kracht van Groot-Brittannië, Frankrijk en de VS zou Duitsland niet zijn opgewassen. De jongens in het veld zagen dat aanvankelijk nog niet in, aangezien ze net kilometers waren opgerukt. De eigen bevolking werd door de censuur en overdreven berichten zelfs volledig in het ongewisse gelaten.
De tegenaanval kon niet lang uitblijven. Aanvankelijk vielen de Fransen aan, daarna ook de Britten. Het bezette terrein ging verloren. Ook zij hadden geleerd, en hadden tactische hervormingen doorgevoerd. Hun tactiek was op de Duitse gebaseerd, maar men liet de infanterie niet verder oprukken dan het bereik van de eigen artillerie. Ook was het schietpatroon veranderd: eerst werden de vijandelijke kanonnen uitgeschakeld door artilleriegranaten, daarna werden de vijandelijke kanonniers uitgeschakeld met gifgas. Dit nekte de Duitsers, die aan steeds meer zaken gebrek kregen en steeds verder werden teruggedreven. Op 8 augustus 1918 lanceerden de geallieerden een massale aanval met 400 tanks: Ludendorff sprak over een 'Zwarte Dag' voor het Duitse Leger. Van de overige geplande Duitse aanvallen kwam niets meer.

Gevolgen

De tegenaanval was rampzalig voor de Duitsers. Ze verloren steeds meer terrein en ook de discipline begon te breken. De Kaiserschlacht was in feite een gok geweest. Ludendorff had verloren en was zijn inzet kwijtgeraakt. De tegenaanval was één van de factoren die (samen met o.a. de blokkade en het wegvallen van de bondgenoten) leidde tot de Duitse ineenstorting in november 1918. Ludendorff schoof echter de verantwoordelijkheid voor dit alles behendig af op de nieuwe linkse republikeinse regering, waarmee de dolkstootlegende was geboren.

De Dolkstootlegende is een idee dat tussen de beide wereldoorlogen vooral onder de conservatieven in Duitsland leefde, dat inhield dat de Eerste Wereldoorlog niet op het slagveld verloren was, maar dat de (linkse) burgerlijke regering vanuit het binnenland de 'dolkstoot in de rug' had gegeven die de nederlaag in een militair nog kansrijke oorlog had veroorzaakt. Deze tegenwoordig als legende beschouwde opvatting vond zijn ontstaan in een actie van de Duitse legerleiding om de verantwoordelijkheid voor de Duitse nederlaag in de oorlog af te wentelen.
Door de propaganda had het volk een geheel verkeerd beeld van het verloop van de oorlog en werd de Duitsers voorgespiegeld dat de 'grote doorbraak aan het westfront' ieder moment kon gebeuren zodat de geallieerden 'opgerold' zouden worden. De Duitse legers stonden nog steeds diep op vijandelijk gebied en hadden zelfs in de zomer van 1918 nog significante terreinwinsten geboekt. Dat Duitsland in oktober 1918 onderhandelingen tot overgave startte, kwam voor de bevolking dan ook als een grote schok. Op initiatief van Erich Ludendorff was er van tevoren een parlementaire regering gevormd onder leiding van prins Max van Baden. Deze regering had een overwegend linkse signatuur.
Het was deze regering die verantwoordelijk werd voor het sluiten van vrede met de geallieerden, zodat de legerleiding naar buiten kon treden met de opvatting dat niet zij de strijd had verloren maar dat de linkse regering haar een dolkstoot in de rug had gegeven. Verder zouden linkse, stakende arbeiders in Duitsland hebben bijgedragen aan het klimaat waarin de regering het leger had kunnen afvallen.
De conservatieven en de militairen legden de schuld van de verloren oorlog bij de Republiek van Weimar. Die had immers het Keizerrijk ten val gebracht en vrede gesloten, terwijl het Duitse leger nog wel verder had kunnen strijden en wellicht nog kunnen winnen. In deze opvatting was de regering dan ook schuldig aan het 'Diktat' dat door de geallieerden was opgelegd; met deze beladen term werd in Duitsland het Verdrag van Versailles bedoeld.
Propagandistische afbeelding van Hindenburg en Ludendorff 

Militaire nederlaag of dolkstoot in de rug?
In werkelijkheid was de oorlog militair verloren en waren de laatste reserves van Duitsland aan manschappen en oorlogsmaterieel aangesproken en inmiddels al bijna 'verbruikt'. De geallieerde blokkade had een nijpende schaarste en hongersnood veroorzaakt. De Centrale bondgenoten van Duitsland gaven zich stuk voor stuk over, en met de overgave van Oostenrijk kwam de Duitse zuidgrens open te liggen. Zelfs het verdrag van Brest-Litovsk (dat vrede aan het oostfront bracht) kon de naderende definitieve nederlaag in het westen niet meer voorkomen. Al voor de officiële deelname van de VS aan de strijd, maar zeker daarna, was het zonneklaar dat de Duitsers de geallieerden niet lang meer konden weerstaan. Begin november 1918 was de militaire positie van Duitsland uitzichtloos.
De militaire staf onder leiding van Ludendorff lanceerde met de laatste bijeengeraapte reserves nog een laatste offensief in de zomer van 1918, de Kaiserschlacht maar na aanvankelijke terreinwinst werden de Duitsers weer teruggedreven. Nu was het voor iedere generaal (met een realistische visie) in de legertop duidelijk dat de definitieve ineenstorting van de Duitse strijdkrachten er aan stond te komen. De verantwoordelijke legerleiding zag dit ook wel in en adviseerde na deze laatste (en verloren) gok zelf de regering vredesonderhandelingen te starten voordat de westgrenzen doorbroken zouden worden en de geallieerden Duitsland zouden binnentrekken. Maar de tot dan nog nooit verslagen Pruisische generaals konden deze afgang niet verkroppen en fabriceerden toen de Dolkstootlegende om hun verantwoordelijkheid voor de oorspronkelijke onderschatting van de gevechtskracht van de geallieerden, de overschatting van de eigen militaire capaciteiten, en de daaruit resulterende uiteindelijke nederlaag af te wentelen[1]. Door een groot deel van de bevolking werd dit voor zoete koek geslikt.

Gevolgen
In de roerige jaren die volgden op de Eerste Wereldoorlog werd naast het verwerpelijke Diktaat van Versailles, de Dolkstootlegende bewust uitgebuit door met name een veteranenorganisatie als de Stahlhelm en door extreem-rechtse partijen als de Deutschnationale Volkspartei (DNVP) en de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP). De in diepe crisis verkerende en onpopulaire prille Weimarrepubliek geconfronteerd met de voortdurende dreiging van een links-communistische of rechts-conservatieve staatsgreep, een economische depressie, een gigantische inflatie en een enorme werkloosheid kreeg als het ware ook de dolkstoot in de rug toegediend. Deze voortdurende instabiliteit en het gebrek aan een door de maatschappij gedragen, gevestigde en gedegen politiek-democratische cultuur, het nu verdwenen keizerrijk was niet-parlementair, autoritair en militaristisch ingericht, droeg in belangrijke mate bij aan de opkomst van een sterke man, met een reactionaire visie: Adolf Hitler.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten